Zo voortvarend als de Amerikanen na 11 september de beveiliging van hun land ter hand hebben genomen, zo langzaam doen wij het hier in Europa. Een jaar na de oprichting van de European Network and Information Security Agency (ENISA) blijkt deze club nog steeds met dezelfde problemen te worstelen als destijds.
Doel van dit door de Europese Commissie in het leven geroepen orgaan is om de beveiliging van netwerken en informatie in Europa te stimuleren. Wim van Velzen, tot voor kort lid van het Europese Parlement, sprak toen al zijn zorgen uit over de moeizame wijze waarop dit orgaan tot stand kwam en hoe het zou moeten gaan functioneren. Hij voorzag dat de ENISA een instelling zonder slagkracht en practische waarde zou worden.
Zijn angst is inmiddels waarheid geworden. Een jaar na de oprichting konden we op de RSA Security conferentie in Barcelona getuige zijn van een discussie die verdacht veel leek op die in Amsterdam het jaar daarvoor.
Volgens Kristiina Pietikainen, voorzitter van raad van bestuur van ENISA, is het belangrijk dat de Europese landen de beveiliging van hun kritieke infrastructuren — denk aan de drinkwater- en stroomvoorziening, en computernetwerken — gezamelijk ter hand nemen. Anders zou het vrije verkeer binnen de Europese Unie wel eens in het geding kunnen komen. De rol van ENISA moet echter beperkt blijven tot het verzamelen en analyseren van informatie, om die vervolgens over de lidstaten te verspreiden. Europa is immers geen federatie waar men van bovenaf zijn wil aan de afzonderlijke landen kan opleggen. Voor wetgeving acht men het bovendien te vroeg, omdat dit de technologische ontwikkelingen zou vertragen.
Als deze discussie, die begon met de identificatie en beveiliging van voor onze maatschappij kritieke infrastructuren, vervolgens verzandt in de problemen van consumenten met spam en virussen, wordt maar al te duidelijk dat beveiliging op Europees niveau geen prioriteit heeft.
Dit artikel verscheen eerder in C-sharp.
Nederlands (nl-NL)
English (United Kingdom) 
Plaats reactie