Wie tegenwoordig in de buurt van Den Bosch moet zijn, loopt een goede kans in de file te stranden. De rondweg daar wordt niet alleen omgebouwd maar ook voorzien van dynamische verlichting. Als weer en verkeer het toelaten, wordt het verlichtingsniveau straks automatisch teruggeregeld. Op die manier wordt flink op energie bespaard.

"Vroeger diende wegverlichting in Nederland maar twee doelen: veiligheid en doorstroming," zegt Toine Adams. Behalve projectleider bij Rijkswaterstaat is hij ook voorzitter van de Initiatiefgroep Openbare Verlichting (IOV) en lid van het Adviescentrum Openbare Verlichting (AOV) van Rijkswaterstaat. "Het energieverbruik was van minder belang. Vanuit de politiek, de milieubeweging en het hogere energiebewustzijn ontstond de vraag of dat niet anders kon. Dat resulteerde drie jaar geleden in het Uitvoeringskader Openbare Verlichting. De oude regels voor het wel of niet aanleggen van verlichting op een bepaald traject bleven hetzelfde. Maar bij alle nieuwbouw wordt nu altijd dynamische verlichting toegepast. Daarbij wordt alleen voluit verlicht als verkeersintensiteit, weersomstandigheden of calamiteiten dat noodzakelijk maken." Andere trajecten waar nu aan dynamische verlichting wordt gewerkt, zijn bijvoorbeeld de ringweg Eindhoven, de A2 bij Haarrijn, de A16 bij Breda en de A28 bij Haren.

Maximaal dimmen

Dat dynamische verlichting vooralsnog beperkt blijft tot nieuwbouw-projecten, heeft vooral te maken met technische aspecten. "De lage-druk natrium-lampen (lange buizen die een donkerrode kleur geven) zijn niet te dimmen," vertelt Adams. "Bovendien zijn ze zo groot dat het licht niet te sturen is met spiegels en lenzen."

Met de goudkleurige hoge-druk natrium-lampen heb je deze problemen niet. Ondanks dat de lichtopbrengst van de lage-druk lamp in lumen per Watt hoger is dan die van hoge-druk lampen, worden voor dynamische verlichting altijd die goudkleurige lampen ingezet.

De technologie is tegelijkertijd ook de rem op de snelheid waarmee geschakeld kan worden. "De lampen moeten eerst even op volle sterkte branden," aldus Adams, "en na het uitschakelen een tijdje afkoelen." Dat betekent dat het niet handig is om de lampen bijvoorbeeld een kilometer voor een nachtelijke automobilist op de Afsluitdijk aan te schakelen en achter hem weer te doven. De kans bestaat dat een volgende automobilist dan in het donker rijdt. "Als er palen in de berm staan, dan verwachten mensen ook verlichting. Bovendien helpt een klein puntje licht bij de geleiding van het verkeer. Vandaar dat we wanneer dat kan maximaal dimmen, tot op vijftien, twintig procent."

Telemanagement

In stedelijke gebieden is wat dat betreft meer mogelijk. "Daar zou je de verlichting later kunnen dimmen als om elf uur de bioscoop uit gaat." Aan de mogelijkheden van de besturing ligt het in ieder geval niet; die is hetzelfde. Het beheer op afstand (tele-management) van de afzonderlijke lampen wordt op de rijkswegen wel gebruikt om het maximum in te stellen. "Als ik ergens een lamp van 170 Watt nodig heb om een bepaalde lichtsterkte te bereiken, dan kan ik die niet kopen. Omdat 150 Watt niet genoeg is, moet ik een lamp van 250 Watt nemen. Nu kan ik die afknijpen tot precies de juiste sterkte."

Haal je op deze manier het onderste uit de kan, dan kun je volgens Adams wel 40, 45 procent op elektriciteit besparen. In geld gemeten zijn de besparingen op beheer en onderhoud echter veel groter. Omdat het systeem laat weten wanneer een lamp kapot dreigt te gaan, hoeven lampen niet meer preventief te worden vervangen.

Tips & Trucs:

  • de technologie van de lampen beperkt de mogelijkheden
  • in stedelijke gebieden kan meer dan op rijkswegen
  • besparingen op beheer en onderhoud zijn veel groter dan op energie

Dit artikel verscheen eerder in Energy Magazine.

Plaats reactie

Security code Vernieuwen

Verstuur